Julian Schaap

“Muziek is een spiegel van de samenleving én gereedschap om die te veranderen”

Muzieksocioloog Julian Schaap over identiteit, ongelijkheid, betekenis en de kracht van smaak.

Julian Schaap is universitair docent en muzieksocioloog aan de Erasmus Universiteit. Hij onderzoekt waarom mensen muziek niet alleen gebruiken om te luisteren, maar ook om zichzelf te begrijpen, zich ergens thuis te voelen, te protesteren of juist te helen. Zijn werk begon bij een persoonlijke liefde voor metal en groeide uit tot onderzoek naar muziek, ongelijkheid en welzijn.

In dit interview neemt hij ons mee in zijn vakgebied: hoe muziek voortkomt uit conflict én verbinding, waarom je smaak in je puberteit wordt gevormd, hoe muziek zich verankert in je brein en je lijf, en waarom betekenis iets is wat je actief zelf maakt.

Wil je jezelf voorstellen?

Ik ben Julian Schaap, universitair docent sociologie van muziek. Het is eigenlijk begonnen vanuit mijn studie cultuursociologie: ik schreef als student al veel over muziek, simpelweg omdat ik er zelf van houd. In studentpapers mag je vaak kiezen waar je over schrijft, en bij mij werd dat steeds muziek. Docenten vonden dat interessant, en zo ging het rollen.

Mijn eerste grote focus was metal. Ik raakte gefascineerd door een simpele maar sociologisch rijke vraag: waarom vinden sommige mensen metal prachtig, terwijl het bij anderen juist afgrijzen oproept? Daar kwamen vanzelf meer vragen bij,  bijvoorbeeld waarom er zo weinig vrouwen in metalbands zitten. Die lijn heb ik later doorgetrokken in een grote studie, en uiteindelijk een boek met een collega, over het gebrek aan vrouwen in metal. We kwamen uit op een schokkend laag percentage: ongeveer drie procent van alle metalmuzikanten identificeert zich als vrouw.

Je onderzoek ging daarna over ongelijkheid. Waar kwam dat vandaan?

Tegelijkertijd begon ik aan mijn promotieonderzoek, over muziek en ongelijkheid, maar dan langs de as van etniciteit en racialisering. In de sociologie van smaak gaat het al lang over klasseverschillen (de bekende tegenstelling klassiek versus populair) maar ik vond dat binnen populaire muziek ook enorme distinctie zit. Één van de grootste, vaak onopgemerkte vormen, is de scheidslijn tussen witheid en zwartheid. Mensen zeggen heel makkelijk: ‘ik luister naar zwarte muziek.’ Maar bijna niemand zegt: ‘ik luister graag naar witte muziek’ terwijl er wel degelijk genres zijn die heel wit zijn. Rock is daar een belangrijk voorbeeld van, en metal ook.

En dat is extra interessant, omdat rock oorspronkelijk voor een groot deel is ontwikkeld door Afro-Amerikaanse muzikanten. Hoe rock vervolgens in de jaren vijftig ‘wit’ is geworden. Vaak het Elvis-effect genoemd, een soort witwassen van het genre fascineerde me enorm. Niet als bewust complot, maar als cultureel proces: hoe gebeurt zoiets, en waarom blijft het zo hardnekkig?

Hoe kwam je van ongelijkheid bij muziek en welzijn terecht?

Tijdens dat onderzoek merkte ik dat een groot deel van het antwoord zit in hoe mensen muziek gébruiken. Niet alleen als steun, maar als middel om identiteit te bevestigen, naar zichzelf en naar de buitenwereld. Ik zag bijvoorbeeld dat hiphop, met de zwarte empowerment die daarin zit, voor mensen met een migratieachtergrond vaak iets anders betekent dan voor mij als witte luisteraar. Zij voelen boodschappen die ik hooguit op een analytisch niveau begrijp. En dat heeft invloed op welzijn: het gevoel van gezien worden, het gevoel dat je mag bestaan.

Van daaruit ben ik steeds meer naar welzijnsvraagstukken geschoven. Inmiddels werk ik in een groot project over hoe jongeren en jongvolwassenen muziek inzetten voor hun dagelijks welzijn, juist in een stad als Rotterdam, met veel verschillende achtergronden. Ik doe dat zowel kwalitatief als met grote datasets; ik heb net een representatieve survey afgenomen waarmee ik luistergedrag en smaak kan koppelen aan gezondheid. Eén van de vragen die ik wil uitpluizen: waarom helpt verdrietige muziek sommige mensen juist, terwijl het anderen verder naar beneden trekt?

Je bent ook betrokken bij onderzoek naar ‘muziek als medicijn’. Hoe verhoudt dat zich tot jouw blik?

Juist daar merkte ik hoe belangrijk het is om de sociologie mee te nemen. Ik kwam ooit in contact met Hans Jeekel, die in eerste instantie sterk vanuit klassiek dacht. Ik weet nog dat ik in 2017 in een gesprek met Erik Scherder hoorde: ‘Eén ding weet ik zeker, heavy metal werkt niet.’ En toen heb ik gezegd: ik vind het geweldig wat je doet, maar dat geloof ik gewoon niet, dat kan niet kloppen als je de sociale dimensie niet meeneemt.

Als je alleen biologisch of psychologisch kijkt, mis je een deel van het verhaal: voor wie werkt iets, in welke context, en met welke betekenis? Inmiddels doen we dat veel interdisciplinairder, en dat is vrij uniek. Het hielp dat we allebei in Rotterdam zaten. Hans kwam in zijn laatste fase ook steeds terug op het belang van vertrouwde muziek; we hebben vlak voor zijn overlijden nog hele mooie gesprekken gehad.

Waarom ervaren mensen met verschillende achtergronden soms iets anders in muziek?

Ik wil daar voorzichtig in zijn: het gaat niet om iets fysieks, alsof muziek letterlijk anders binnenkomt bij witte of zwarte mensen. Het gaat om betekenis, context en herkenning. Heel veel muziek komt voort uit conflict, uit gevoelens van onmacht, uit het gevoel niet gerepresenteerd te worden, uit het verlangen naar een stem die je in de rest van je leven niet altijd krijgt. Bijna elk genre is te herleiden tot zo’n moment. In Nederland is Indorock een mooi voorbeeld: mensen die rond de onafhankelijkheidsoorlog uit Indonesië kwamen, kregen hier weinig kansen, maar entertainen kon wél en muziek werd een kanaal voor frustratie én trots.

Later worden genres vaak gecommercialiseerd en raakt die oorspronkelijke lading op de achtergrond. Zelfs bij boybands zie je het: het begint bij groepen als Boyz II Men, en wordt daarna losgetrokken van de context waarin het ontstond. En het hoeft niet expliciet over racisme te gaan; soms gaat het simpelweg over: je mag er zijn. In mijn focusgroepen in Rotterdam kwam dat sterk naar voren. Een artiest als Winne is voor veel mensen belangrijk, juist omdat hij uit Rotterdam-West komt en rapt over straten die zij kennen. Die herkenning  ‘dit gaat over ons’ kan echt een plekje in je hart krijgen. En daar zit de welzijnscomponent: gezien worden, aansluiting, representatie.

Muziek verbindt, maar er is ook protestmuziek. Hoe kijk je naar die spanning?

Ik denk dat je twee dingen uit elkaar moet trekken. Je hebt protestmuziek, die expliciet met een politiek doel wordt gemaakt (links of rechts) om mensen te activeren. Maar in het dagelijks leven beschouwen de meeste mensen muziek veel vaker als iets dat samenbrengt. Neem de Top 2000: er zitten structurele scheefheden in, bijvoorbeeld dat er weinig vrouwen in staan, en dat klopt ook. Maar tegelijk is het een soort democratisch proces waarin mensen zeggen: dit is de muziek waar we als samenleving dol op zijn. Voor velen voelt dat als iets wat ons samenmaakt, een collectief cultureel geheugen.

Dat maakt het complex. Het is niet simpelweg goed of fout, inclusief of uitsluitend. En wat ik in mijn onderzoek vaak tegenkom, is dat het gevoel van samenhorigheid, of juist van er niet bij horen, meestal niet zo expliciet is als een protestlied. Die betekenis zit vaak impliciet: in herkenning, in gedeelde codes, in ‘dit is van ons’.

In de media gaat het vaak over de ‘negatieve invloed’ van genres op jongeren. Wat vind je daarvan?

Dat is een hardnekkig patroon: veel genres worden al lang met wantrouwen bekeken. Metal is een klassiek voorbeeld. Vroeger ging veel onderzoek over metal, country en zelfmoord, een soort moral panic. Bij hiphop zag je vergelijkbare frames: het zou de jeugd corrumperen, geweld idealiseren. En je ziet dat mechanisme nog steeds, bijvoorbeeld bij drill rap, alsof er bijna automatisch een causale relatie is.

Ik zeg niet dat je bij serieus geweld eerst rustig onderzoek moet doen voor je handelt, natuurlijk niet. Maar je moet wél begrijpen wat die muziek voor jongeren betekent. Uit onderzoek blijkt dat een groot deel van de jongeren helemaal niet gewelddadig wordt door drill; ze zeggen eerder: dit is een uitingsvorm van ons leven, we praten over wat we op straat zien. Dan functioneert het bijna als straatpoëzie, of zelfs als een soort journalistiek. De muziek die echt opvalt, wordt trouwens meestal gemaakt door mensen die nadenken over boodschap en vorm, niet door wie alleen stoer wil doen.

Hoe verklaar je dat maar drie procent van de metalmuzikanten vrouw is?

Er is niet één verklaring, het is een waaier aan mechanismen die in elkaar grijpen. Maar een van de belangrijkste is socialisatie vanaf jonge leeftijd. Meisjes worden vroeg ontmoedigd om die kant op te gaan, en dat gaat niet alleen over muziek, maar over gedrag: opvallen, rebels zijn, herrie maken, brullen. Dat hele lichamelijke wordt bij meisjes sneller afgekeurd. Uit genderstudies weten we dat het soms maar één keer hoeft dat je hoort ‘dat past niet bij jouw gender’, en dat kan jarenlang blijven hangen.

Ik zag dat zelfs dichtbij: mijn jongste zoontje zei laatst ineens ‘meisjes drummen toch niet?’, terwijl ik nota bene concertbeelden met vrouwelijke drummers opzet. Gender is bovendien iets dat we met z’n allen dóen. Er wordt vaak gedacht dat mannen vrouwen tegenhouden, maar vrouwen houden vrouwen ook tegen, in hardere genres wordt streng ‘gepolicet’. En de stap van luisteren naar zelf muziek máken is een extra horde: een vrouw die zegt ‘ik kan gitaar spelen’ wordt eerst gezien als lid van een groep, ‘een vrouw’, en pas daarna als individu, ‘een muzikant’. Mannen worden veel vaker meteen als potentiële muzikant gezien.

Is dat iets unieks voor metal?

Nee, juist niet en dat is het interessante. Je ziet vergelijkbare mechanismen in de boardroom van grote bedrijven, bij de brandweer, in allerlei sectoren waar mannen dominant zijn. Metal was voor mij een boeiende ‘biotoop’ om die processen scherp te bestuderen. Je kunt er Bourdieu bij halen, die dit soort subtiele, normaliserende uitsluiting ‘symbolisch geweld’ noemde: kleine opmerkingen, impliciete aannames, constante toetsing op ‘passen’ en ‘thuishoren’ die zich opstapelt.

Muziek werkt daarvoor zo goed als onderzoeksveld omdat het een tussenruimte is: het is entertainment, dus mensen schieten minder snel in de verdediging. Ik legde vaak dezelfde mechanismen uit als bij onderzoek naar racisme (rond witheid, normativiteit, representatie) maar bij rockmuziek vonden mensen het ‘interessant’, terwijl ze bij een direct maatschappelijk onderwerp sneller in een reflex schoten.

Hoe ontstaan smaakvoorkeuren eigenlijk?

Wat we vrij goed weten, is dat smaak sterk samenhangt met waar je in bent gesocialiseerd. En dat is niet alleen een leuke observatie; we zien het ook in onderzoek naar muziek bij pijn, stress en angst. Daar werkt favoriete, vertrouwde muziek vaak het best, muziek waar je mee bent opgegroeid, waar je lichaam en je geheugen al een relatie mee hebben. Socialisatie is de bodem. Je ziet dat sterk bij muziek van ‘thuis’: als er een fijne hechting was, geeft de muziek die je ouders draaiden later vaak troost of rust. De grootste vormingspiek ligt meestal in de puberteit, gemiddeld rond je dertiende of veertiende. Dat is hét hoofdmoment: de muziek die je dan hoort, plant het sterkste zaadje voor je latere smaak. Die smaak ontwikkelt zich door tot ongeveer je vijfentwintigste en wordt richting je dertigste voor veel mensen stabiel.

Waarom komt muziek juist in de puberteit zo hard binnen?

Dat heeft te maken met wat de socioloog Swidler ‘settled’ en ‘unsettled’ noemde: gevestigd en ongevestigd. Er zijn momenten in je leven dat je je settled voelt – een langdurige relatie, een huis, kinderen – en momenten dat je unsettled bent, en dat is niet altijd negatief. De puberteit is een fundamenteel ongevestigde periode: je neemt afscheid van je ouders als primaire houvast en vormt een eigen identiteit. Juist dan staan mensen emotioneel totaal open, en koppelen ze muziek heel sterk aan die ontwikkelingservaring.

Daarom hebben mensen vaak hele sterke herinneringen aan die eerste cd, aan ritjes in de auto toen ze jong waren, aan dat eerste concert. En het mooie is: zelfs als mensen ouder zijn, komen ze tijdens periodes van rouw of liefde ineens weer meer open te staan voor muziek. Daarom kan een lied dat je bij een begrafenis hoorde zo vast komen te zitten. Het is een soort kip-of-ei: vind jij de muziek die bij je past, of word je zo door die muziek? Dat is altijd een interactie met je ervaringen, met de mensen om je heen, en met wat je thuis hebt meegekregen.

Kan muziek ook belastend of schadelijk worden?

Ja, absoluut. Als muziek positief zoveel impact kan hebben, dan kan het ook negatief veel impact hebben, dat wordt nog weinig onderzocht. We weten dat favoriete muziek meetbaar kan helpen bij pijn, stress, angst en slaap, de ‘big five’. Maar wat als je een bepaald lied koppelt aan een nare ervaring? Hoor je dat later terug, word je dan weer teruggetrokken naar die narcose, dat wakker worden, die paniek?

Dat herken je ook uit het leven: ik heb vrienden begraven, en daardoor kan ik naar bepaalde platen soms niet meer luisteren, dan sta ik meteen weer dáár. Muziek werkt soms bijna als geur: je hoort iets en je wordt teruggegooid in een situatie, met de gevoelens erbij. De kernverklaring en ik zeg bewust ‘waarschijnlijk’ is dat muziek grote delen van de hersenen tegelijk activeert; het zit niet op één plek. ‘Neurons that fire together, wire together’: als je als kind warme associaties opbouwt, na het eten muziek aan, dansen in de woonkamer, dan verankert die muziek zich cognitief, emotioneel én motorisch. Maar het geldt niet voor iedereen; sommige mensen vinden muziek gewoon leuk en denken bij dit soort beschrijvingen: geen idee waar je het over hebt.

Je ziet een vinyl revival onder jongeren. Wat zegt dat?

Die revival is al lang gaande, maar dat het bij jonge mensen nu toeneemt, is van de laatste jaren. De rituele kant is volgens mij het belangrijkst: mensen willen hun fandom fysieke betekenis geven. Online kan dat moeilijk, juist doordat er zóveel is, en met AI-muziek erbij is helemaal het hek van de dam. Vinyl heeft een begrenzing, en ik vind het fascinerend dat mensen zichzelf in tijden van ongelimiteerdheid juist gaan begrenzen. Je duikt even uit die algoritmische stroom, maar je kunt wel lekker iets kopen.

Daaronder zit iets groters. Er zijn sociologen, zoals Hartmut Rosa, die schrijven over sociale acceleratie: alles gaat sneller, er wordt steeds meer van je verwacht. Dat is ook waarom er nu zoveel burn-outs zijn. Je leest steeds meer pleidooien voor rust; minimalisme was daar al een grote variant op. En platen kopen past daar perfect in: je legt jezelf een beperking op én je kunt blijven consumeren.

Wat heeft dat met betekenisgeving te maken?

Betekenis is iets wat je actief creëert, het wordt je niet zomaar gegeven omdat je iets in huis haalt. Denk aan koken: je kunt altijd eten kópen, maar mensen gaan toch moeizaam zelf brood staan bakken. Het argument is dan ‘dat is natuurlijker’, maar diep van binnen weet je dat het bakken het betekenisvol maakt. Later wordt dat een verhaal: ‘mijn vader bakte vroeger altijd brood.’ Mijn kinderen gaan nooit zeggen: ‘mijn vader kocht vroeger altijd brood bij de Albert Heijn.’ Dat is geen betekenisvol verhaal. Vinyl en muziek lenen zich daar enorm voor. Maar het is betekenisloos als je daar alleen maar met je platen zit en ze je niks zeggen. De plaat waar ik echt waarde aan hecht, is er een die ik samen met mijn partner in de platenzaak tegelijk vastpakte. In het boek High Fidelity sorteert het hoofdpersonage zijn collectie op het moment waarop hij alles kocht. Dat vond ik geniaal: dat je je leven erin probeert terug te halen.

Wat betekent de opkomst van AI voor de verbindende kracht van muziek?

Als iedereen straks zijn eigen liedjes kan genereren die precies op hem zijn afgestemd, verlies je misschien een deel van het verbindende potentieel: liedjes waar veel mensen samen een connectie mee maken. En er zit nog iets in: sommige muziek moet ‘op je groeien’, je hebt soms twee of drie luisterbeurten nodig. In een wereld waarin je meteen kunt doorklikken naar ‘nieuwe genereren’ verdwijnt dat geduld misschien.

Maar ik ben niet totaal sceptisch. Ik kan me juist voorstellen dat hierdoor een herwaardering ontstaat voor door mensen gemaakte muziek, dat mensen weer voelen: dit is iets menselijks. Dat zie je al, bijvoorbeeld bij vinyl onder mijn studenten. Een liedje maken met zo’n AI-tool is leuk als experiment, maar zelf iets bedenken, met anderen spelen, in een band zitten, is op een andere manier betekenisvol. En ik hoop dat mensen herontdekken dat muziek maken niet altijd een opstap naar een carrière hoeft te zijn. Het mag ook een eindpunt zijn, omdat het op zichzelf al waarde heeft.

Wat is je belangrijkste boodschap voor de lezer?

Dat socialisatie rondom muziek deels automatisch gebeurt (je groeit ergens in, je smaak vormt zich vanzelf), maar dat je het absoluut een zetje kunt geven. En dat is slim, ook voor jezelf, voor later. Want mocht je ooit ziek worden of moeilijke dingen meemaken, dan is het enorm waardevol als je al weet: dit helpt mij. Dat je het als het ware klaar hebt staan.

Ik geef bij praatjes ook altijd een soort life hack mee: vraag eens aan mensen om je heen welke liedjes zij jóu zouden aanraden, die voor hén veel betekenen, en doe dat terug. Daardoor hoor je nieuwe muziek, maar je krijgt er vooral gesprekken over en leer je elkaar beter kennen. Dat is geen Netflix-aanbeveling, maar een suggestie met aandacht en liefde. Veel jongeren luisteren ontzettend veel en denken ook veel na over wat ze luisteren, maar zeggen er weinig over tegen anderen. Daar zit volgens mij een kans.

Welk nummer zou je willen delen?

Ik vind dat iedereen op een bepaald moment naar Joy Division moet luisteren. Voor mij een van de beste bands ooit en dan in het bijzonder ‘Transmission’. In die muziek hoor ik zowel de rebellie van punk als iets heel menselijks: het gedeelde besef dat we allemaal tekorten hebben en er toch maar een beetje doorheen modderen. Mijn favoriete muziek ademt altijd iets van kracht én sneuheid tegelijk, en ‘Transmission’ is daar voor mij een perfect voorbeeld van.

Ga naar Spotify voor de playlist Muziektips 

Meer informatie:

Website: www.julianschaap.eu