Harry van Dalen

“Klank brengt je terug naar stilte en die stilte is liefde”

Harry van Dalen over muziek als reddingslijn, heling en de kunst van het waarnemen zonder oordeel.

Harry leeft muziek. Wat ooit begon als overlevingsstrategie in een onveilige jeugd, groeide uit tot een levenslange ontdekkingstocht naar de kracht van klank. Hij bouwde een carrière op in de high-end audiowereld, maar ontdekte gaandeweg dat muziek en klank veel verder reiken dan mooi geluid: ze brengen mensen terug naar stilte, aanwezigheid en verbinding. Met zijn bedrijf Spirit Connection begeleidt hij mensen daar nu in, via stem en klank.

In dit uitgebreide interview vertelt hij zijn verhaal van de blues die hem als kind overeind hield tot de innerlijke stilte die hij vandaag met anderen deelt.

Hoe werd muziek voor jou een reddingslijn?

Als kind ben ik mishandeld. Iedereen maakt wel iets mee in het leven, maar voor mij betekende het: vluchten in mijn hoofd. Alsof ik een onzichtbare koptelefoon opzette en dan was ik weg. Muziek was mijn toevluchtsoord.

Ik zat helemaal in de wereld van de blues, van Jimi Hendrix. Later ging ik ook klassiek kopen, moeilijke dingen waar ik toen niets van begreep. Als jongetje van twaalf, dertien luisterde ik naar de Messiah. Een hoop kakofonie, zou je zeggen. Maar voor mij was het thuiskomen; ik zat in die muziek en was even verlost van alles. Waarom het me raakte, weet ik nog steeds niet. Maar dat het me raakte, dat weet ik wel.

Ik had geen opleiding en kon tot mijn dertigste nauwelijks lezen of schrijven. Mijn vrienden gingen naar de kunstacademie of de HTS; ik had alleen mijn intuïtie en muziek. Achteraf besef ik het pas echt: die muziek hield me letterlijk overeind. Ze hield me vast in het leven, in het licht. Soms kon ik er gewoon keihard bij huilen, omdat het me zo diep raakte.

Wat maakt muziek voor jou zo verbindend?

Op een gegeven moment begon ik ook teksten beter te begrijpen, vooral van iemand als Joni Mitchell. Toen voelde ik: ik ben niet alleen in mijn pijn. Andere mensen hebben ook een verhaal. Dat gaf me zoveel herkenning.

Ik weet nog dat ik als jonge gast stiekem naar de Beach Boys luisterde. In mijn omgeving was dat ‘not done’, veel te soft, je moest naar Hendrix of iets ruigs luisteren. Een vriend van mij durfde ook niet toe te geven dat hij ze draaide, tot ik hem een keer betrapte en we er allebei hardop voor uitkwamen. Wat een opluchting was dat. Die herkenning, die verbondenheid, dat is voor mij de magie van muziek. Muziek oordeelt niet. Het vraagt niet wie je bent of waar je vandaan komt. Het resoneert, en het geeft je de ruimte om gewoon te zijn.

Je werd als puber gegrepen door jazz. Hoe ging dat?

Zeker als je jong bent, ben je ontzettend gevoelig voor wat zogenaamd ‘belangrijk’ is. Maar die smaakpolitie was niets voor mij. Ik had geen vaste voorkeur, en zo was ik ook de eerste in mijn dorp die naar jazz luisterde. Toen het North Sea Jazz Festival net begon in Den Haag, trok ik er met mijn lange haar naartoe, dwars tussen de chic geklede types met champagne. Zij gingen voor de swing van Lionel Hampton; ik belandde bij Ornette Coleman, een van de grootste avant-gardisten.

Ik had geen idee wat me overkwam. Hij speelde met een dubbeltrio,  twee trio’s die tegelijk iets totaal anders deden, op een saxofoon. De klank sneed dwars door me heen. Na het eerste nummer liep de halve zaal leeg. Ik wilde ook opstaan, tot een man naast me zei: ‘Je moet niet luisteren. Je moet het ervaren.’ Doe je ogen dicht, zei hij, luister naar alles tegelijk, want er valt niets te volgen.

Ik deed wat hij zei, en ik verdween. Niet een beetje, maar compleet. Alles loste op. Een uur lang was ik nergens en tegelijk overal. Pure vrijheid. Vanaf dat moment raakte ik gefascineerd door vrije improvisatie. Niet om mooi of lelijk, maar om expressie, om loslaten. Ik hou ook van een perfect opgebouwd liedje, een Paul McCartney of Paul Simon, dat is zo geniaal dat het me net zo goed raakt. Maar dit was iets anders. Ik reisde naar New York, belandde in jazzlofts waar legendes speelden voor vijftien man. Jazz was zogenaamd ‘dood’, maar voor mij voelde het als een geheim universum: rauw, levend en helemaal echt.

Je maakte van muziek ook je werk. Hoe begon dat?

In de jaren zeventig begon ik in een platenzaak, en alles viel op zijn plek. Ik verkocht alles: klassiek, pop, Nederlandstalig,  zonder enig oordeel. Ik luisterde gewoon. Op een dag zei mijn baas: ‘Jij moet die hifi-installaties verkopen.’ Ik zei dat ik er geen verstand van had. Hij zei: ‘Nee, maar je hebt er gevoel voor.’ En dat klopte. Ik zette grote speakers neer midden in de winkel, draaide keihard Pink Floyd en zei tegen klanten: ‘Dit moet je horen.’ Ze voelden wat ik voelde, en kochten het. Niet vanwege de techniek, maar vanwege de beleving. Ik had geen diploma’s, geen technische kennis. Maar ik had dat vuur om mensen te laten vóelen wat muziek met je doet.

Inmiddels is dat uitgegroeid tot een van de grootste high-end audiobedrijven van Europa. Iedereen die hier werkt, is een pure liefhebber – geen techneut, maar een echte luisteraar.

Wat ging er voor jou verloren toen muziek digitaal werd?

Ik ben die audiokennis gaan toepassen op opnames, want ik wilde begrijpen wat er nou echt gebeurt als je muziek vastlegt. En toen digitaal geluid kwam, was ik diep teleurgesteld. Alles klonk plat en koud, zonder ziel. Terwijl een oude Blue Note-plaat uit 1959 wél meteen binnenkomt, omdat analoog die warmte heeft. Begrijp me goed, ik ben niet tégen digitaal. Maar ik ben kritisch op hoe gemakzuchtig het wordt gebruikt. Engineers zeggen vaak: het is makkelijker. Ja, veel is makkelijker. Maar gemak is niet hetzelfde als kwaliteit. Muziek draait niet om perfectie, het draait om verbinding. Kijk naar een braderie of een festival: wat daar gebeurt, is dat mensen samen zijn. Dat zoeken we, vaak zonder het door te hebben,  dat samen die ervaring van muziek hebben.

Er kwam een moment waarop het minder met je ging. Wat gebeurde er toen?

Ik was totaal niet spiritueel, tot in mijn botten niet. Mijn ex-vrouw zat in het sjamanisme; ik vond dat helemaal niks. Maar ergens bleef ik wel zoeken naar dat gevoel van verdwijnen, dat even ‘weg’ zijn dat muziek me als kind al gaf. Op een gegeven moment ging het niet goed met me, en ik besloot in mijn eentje op reis te gaan. Vier weken, zonder plan. Ik kwam terecht in Tibet, en ik dacht nog: wat moet ik daar nou? Maar iets trok me.

Onderweg, via Nepal, kreeg ik heftige dromen over mijn kindertijd, waarin ik doodging. Elke nacht kwamen ze terug. Ik landde uiteindelijk op een Chinees vliegveld, en op het moment dat het toestel de grond raakte, brak er iets in me – alles kwam eruit. Niet lang daarna zat ik midden in de bergen, waar verder niemand was, in een gevecht tussen Tibetanen en Chinezen. Het escaleerde, met kapmessen en gescheld, en ik sprong er gewoon tussen. Een paar uur later braken de voorwielen van onze jeep af; we stonden stil, twee meter voor een afgrond. Ik keek over het randje en toen begon ik het pas echt te knijpen.

Wat daarna gebeurde, was bijzonder. Ik liep daar diep in de Himalaya, bij een klooster, en woonde een puja bij, een boeddhistische ceremonie. Twee mannen kwamen op me af, vriendelijk maar resoluut, en namen me mee naar binnen. Pas achteraf begreep ik waar ik was: een ruimte met duizend Boeddhabeelden en in het midden een grote zandmandala. Daar zette ik een soort derde oog tegen mijn voorhoofd, en ik was weg. Alles verdween,  tijd, ruimte, het besef van wie ik was. Ik viel op de grond en huilde, diep en ongecontroleerd. De vrouw die met me meereisde had hetzelfde. We hebben het er daarna nooit meer over gehad. Maar er was iets fundamenteels veranderd.

Wat deed dat met je leven, terug in Nederland?

Alles viel uit elkaar. Ik ben gescheiden, werd ziek, en op een gegeven moment stond ik naakt voor de spiegel. Geen relatie meer, geen werk, geen geld. Ik keek naar mezelf en het enige wat ik kon voelen, was: ik ben het middelpunt van mijn eigen ellende. Er was niemand meer. En precies op dat punt ontstond de vraag die me sindsdien niet meer heeft losgelaten: wie ben ik eigenlijk?

Die vraag werd het begin van een radicaal zelfonderzoek, samen met anderen die met hetzelfde zaten. Geen zelfhulptruc, maar de keiharde vraag: wie is die ‘ik’? We zagen hoe onze persoonlijkheden waren opgebouwd uit conditionering, herinneringen en pijn. We verdiepten ons in Eckhart Tolle en zijn idee van de ‘pain body’ –  briljant, maar voor mij niet radicaal genoeg. Ik begreep mijn patronen, maar ik brak er niet doorheen.

Hoe vond je een antwoord op die vraag?

Ik kwam terecht bij een leraar in Frankrijk, en dat was totaal niet wat ik verwachtte. Chaotisch, onnavolgbaar; ik dacht echt dat ik verkeerd zat en wilde wegrennen. Maar toen stelde ik hem een vraag: hoe vind ik liefde? Hij keek me aan, stil en open, en bleef me aankijken. Ik zag alleen maar liefde, een bron van onuitsprekelijke zachtheid. En toen zei hij: je kunt naar India gaan, naar Amerika, naar een goeroe, maar je zult haar nooit vinden. Ik vroeg waarom niet. En hij zei: omdat je het bent. Die woorden waren een mokerslag, niet van pijn, maar van helderheid. Vanaf dat moment werd klank mijn kompas. Zingen, trillen, voelen: dat bracht me telkens terug in dat pure zijn, en telkens als ik het kwijt was, vond ik het via klank weer terug.

Hoe groeide dat uit tot een eigen praktijk?

Ik ontmoette iemand met wie ik klank ging maken, en het gebeurde opnieuw: ik brak open, de klank vulde me volledig, het voelde bijna heilig. We wisten: hier moeten we iets mee. We kochten eenvoudige instrumenten en begonnen gewoon, zonder plan. Zes jaar lang zaten we in stilte, speelden, lazen elkaar voor en mediteerden, van vrijdagavond tot zaterdagochtend. Een klein maar krachtig boek daarbij was De Vier Inzichten van Don Miguel Ruiz: neem niets persoonlijk, doe je best, ga niet uit van aannames. Dat werd een handvat, ook op het werk. We triggerden elkaar voortdurend, en alles in mij werd gespiegeld en uitgedaagd.

In die jaren verschoof er iets. Ik zeg niet dat ik verlicht ben, absoluut niet, maar mijn perceptie kantelde. Ik begon te zien: alles wat ik denk, is niet per se waar en toch is het er allemaal. Dat is de paradox waar ik sindsdien mee leef.

Later nodigde ik vrienden uit voor een klankbad, zoals je iemand uitnodigt voor een concert. Geen spiritueel sausje, geen yoga, geen zweverige taal, gewoon klank. En ze bleven terugkomen. Soms zeiden ze: ‘We komen om te eten hoor,’ maar dan stonden ze al uren eerder op de stoep, alleen voor dat klankbad. Wat ik ontdekte, is dat klank mensen veel sneller in stilte brengt dan muziek. Muziek roept nog van alles op: mooi, niet mooi, smaak, herinnering. Klank raakt iets directers. Zet ik Bach op, dan ontstaat er niet vanzelf stilte; sla ik een gong aan, dan gebeurt er iets. En als mensen het denken even loslaten, gebeurt er iets wat alle woorden overstijgt.

Wat leerde je over de werking van klank?

Ik heb nooit veel trainingen gevolgd, op één uitzondering na: Jonathan Goldman, de man die klankhealing wereldwijd op de kaart heeft gezet. Ik volgde een tiendaagse training bij hem in de Rocky Mountains. Negen dagen lang doken we in de kracht van de stem, en ik heb ontzettend veel van hem opgestoken.

Op een dag vertelde ik dat ik een boek wilde schrijven over chakrafrequenties. Zijn antwoord verraste me totaal: ‘Het klopt allemaal niet.’ Neem de F-toon, zei hij – in het ene systeem hoort die bij het hartchakra, in het andere bij het sacraalchakra, en in Japan bij het kruinchakra. Wat is er dan waar? Iedereen verzint maar wat. Maar hij had verder gezocht naar wat wél helend werkt, en dat bleek heel simpel: intentie plus frequentie is heling.

Het gaat er dus niet om wát je speelt, maar hóe je het doet, met welke energie. Die intentie is voelbaar en die schept ruimte. Klank werkt niet volgens vaste regels: er bestaat niet één ‘hartschaal’. Speel ik een schaal, dan voelt de één hem in zijn buik, de ander in zijn hoofd. Klank gaat zijn eigen weg en laat zich niet dwingen. En we moeten oppassen dat we niet te veel aan concepten gaan vastklampen. Iemand zegt: 528 hertz is de frequentie van de liefde. Dan denk ik: wie heeft dat bepaald? Als je echt helder kijkt, zie je dat alles al perfect is zoals het is.

Je vindt het belangrijk dat sound healing niet zweverig wordt. Waarom?

Mensen belden me: ‘Je doet iets bijzonders.’ En dat kwam juist doordat we het níet vanuit de geitenwollensokken-hoek deden. Geen pofbroeken, geen wierook, geen staartjes. Bij ons eerste concert stond mijn partner op hoge hakken in een mantelpakje, en ik in een pak. Heel bewust, om te laten zien: dit is geen zweverig wereldje, dit is voor iedereen.

En dat zie je terug. Zorgmedewerkers, politieagenten, vrouwen uit de zakenwereld,  iedereen komt, en die scheiding vlakt steeds meer uit. Iedereen die een klankretraite heeft meegemaakt, zegt ongeveer hetzelfde: je komt zo snel in die staat van zijn. Een plek waar het verhaal even stilvalt, waar pijn mag opkomen of een lach, en waar alles oké is.

Waarom noem je klank een “healer”?

Ik genees niemand van kanker, laat dat duidelijk zijn; dat gaat ook niet gebeuren. Wat wél gebeurt, is dat mensen in een staat van acceptatie komen. En dát is helend. Ik heb zelf kanker gehad, dus ik weet hoe essentieel dat is. Echte heling gebeurt als je de dood accepteert, want dan ga je pas echt leven, elk moment. Mensen zeggen weleens: ik ben niet bang voor de dood. Maar waar het om gaat, is niet jouw eigen dood; het gaat om je moeder, je partner, je kinderen. Toen ik ziek was, had ik maar één verlangen: ik wilde blijven, want het gaat om delen, om verbinding. Veel mensen in zulke processen hebben geen toegang tot dat inzicht, dat alles draait om het volledig omarmen van het moment waarin je zit, en van daaruit liefde delen.

Wat doet klank precies met je hoofd?

Klank helpt ons thuiskomen, juist omdat het vormloos is, puur trilling, zonder structuur. Kristallen schalen en gongs vullen een ruimte met een cluster van frequenties die niet alleen je oren raken, maar ook je lichaam en geest. Zeker in een kerk voel je dat: de klank vult alles, tot diep in je wezen.

Tijdens een meditatie kun je soms verdwijnen. Een gedachte, een herinnering, een zielenstuk komt langs en is weer weg. Ik noem dat de dans van Shiva: alles beweegt, maar jij blijft de stille kern. In je hersenen daalt intussen de frequentie, van bèta (het gewone denken) naar alfa, waar je rust en intuïtie vindt. In theta worden de beelden kleurrijker, vaak lucide. En in delta ben je gewoon, zonder ervaring, zonder verhaal. Je bent er, maar je weet niets. En toch is dat de plek waar je thuiskomt.

Als je eenmaal voelt dat bewustzijn aan alles voorafgaat (vóór je lichaam, vóór je denken) dan kantelt je hele blik. De meeste mensen denken andersom: dat er eerst materie is en daarna een beetje bewustzijn. Maar dat is nooit bewezen, en de wetenschap ontdekt steeds vaker dat het misschien net andersom zit. Stel je voor dat iedereen werkelijk zou beseffen dat we uit hetzelfde bewustzijn voortkomen, zouden we dan nog oorlog voeren?

Wat bedoel je met “waarnemen zonder oordeel”?

We zitten veel te vaak in ons hoofd, en dat merk ik ook bij klankhealing. Soms komt er iemand binnen vol weerstand, die me aankijkt met een oordeel, en ik voel dat meteen. Maar als die persoon zich ontspant, zegt hij ineens: ‘Geen idee waarom ik je eerst zo irritant vond, je bent eigenlijk best een leuke vent.’ En dan moeten we lachen. Want dat doen we allemaal: we projecteren, we maken verhalen, we hangen elkaar bordjes om.

Mensen vragen me weleens of je dat moet afleren. Nee. Je hoeft alleen maar te zíen dát je het doet. En klank helpt daarbij, om door je eigen aannames heen te breken. Dat is voor mij de kern van heling: beseffen dat jouw idee over jezelf, of over de ander, niet klopt. Echte heling begint niet bij het verdwijnen van ziekte, maar bij het loslaten van wat je over jezelf dacht. Dat opent iets. Want als ik jou echt zie, zonder verhaal, zonder oordeel, dan ontstaat er verbinding.

Mijn vrouw Glenn werkt daar feilloos in. Bij iemand met een zware burn-out speelt ze zacht en subtiel; bij iemand die mentaal vastzit juist ritmisch en krachtig. Dat voel je niet met je hoofd, dat weet je gewoon. Daar zit het verschil: veel mensen ‘doen klankwerk’ maar missen bedding, intentie. Daarom leren wij in onze trainingen geen techniek (een schaal bespelen leer je in een half uur) maar brengen we mensen terug naar intentie. Je leert geen klankhealer te worden; je herinnert je dat je het al bent.

Heb je een oefening die dat voelbaar maakt?

Ik nodig mensen vaak uit tot iets simpels. William Blake zei het al prachtig: “If the doors of perception were cleansed, everything would appear… as it is, infinite.” Als onze waarneming gereinigd is, valt het oordeel weg. Stel dat ik je aankijk en je gewoon in mijn ogen blijft kijken: eerst zien we elkaar nog als man en vrouw, maar als je echt blijft kijken, valt dat weg en is er alleen nog het pure zien.

Probeer dan eens om mij te zien én tegelijk die plant daar, in 180 graden, zonder focus. Dan vervagen we allebei. Je hoeft niets te zeggen. En dan komt het geluid binnen, worden je zintuigen wakker, en wat je ervaart is vrede. Geen verhaal, geen ‘ik’, gewoon zijn. Dat ís meditatie, geen truc, geen methode. Je kunt het ervaren op een berg in Tibet of midden op Piccadilly Circus.

Klank helpt daarbij; het brengt je in je lijf, uit je hoofd. Één slag op een schaal, twee klanken, meer hoeft het niet te zijn. Want die klank leidt je naar stilte. Niet de stilte van een geluidsdichte kamer, maar de innerlijke stilte, de ruimte in jou. Aan het einde van een klankbad is dat vaak het krachtigste moment: dan valt er iets weg, soms komen er oude patronen boven, maar die liggen gewoon in die stilte. En die stilte is liefde. Niet als concept, maar als ervaring. Je hoeft het niet te leren. Je hoeft het alleen te herinneren.

Welke muziek zou je de lezer willen meegeven?

Als ik twee dingen mag noemen die voor mij echt iets hebben veranderd, dan is dat allereerst Ornette Coleman. Dat concert op het North Sea Jazz Festival was een kantelpunt: pure chaos, twee trio’s tegelijk, een plastic saxofoon en juist daar leerde ik dat je muziek niet hoeft te volgen, maar mag ervaren. Ik verdween er volledig in. Probeer het eens niet te begrijpen, maar gewoon te ondergaan; doe je ogen dicht en luister naar alles tegelijk.

En als tweede Joni Mitchell, vooral om haar teksten. Via haar muziek begon ik te voelen dat ik niet alleen was in mijn pijn, dat ook anderen een verhaal dragen. Dat gaf me een diepe herkenning. Waar Coleman me leerde verdwijnen, liet Joni Mitchell me juist iets hérkennen en allebei raken ze datzelfde: muziek die je terugbrengt bij jezelf.

Ga naar Spotify voor de playlist Muziektips. 

Meer informatie:

https://spiritconnection.nl/